U heeft een longafwijking. Dat betekent dat in uw long iets niet in orde is.
U krijgt daarom een operatie. De arts haalt dan een stukje uit uw long weg.
Dit stukje onderzoeken we verder. Zo weten we wat er in uw long aan de hand is. Dat heet diagnostiek.
Verschillende operaties
De thoraxchirurg is de arts die u opereert. De thoraxchirurg kiest welke operatie bij u past. Er zijn 3 verschillende operaties voor de long:
- Kijkoperatie
- Robot-Assisted Thoracoscopic Surgery (RATS)
- Segmentresectie of wigexcisie van de long
Soms kan de operatie tussen de ribben door gebeuren. Soms moet de thoraxchirurg de ribben spreiden.
U leest hieronder meer over de operaties.
1.Kijkoperatie
De thoraxchirurg opereert u met de hulp van een kleine camera, die vast zit aan een slang. Deze camera gaat tussen uw ribben door. Zo kan de arts in uw long kijken. Hij neemt daar een klein stukje long weg. Een kijkoperatie heet ook wel VATS. Dat betekent Video Assisted Thoracic Surgery: een operatie met hulp van een camera.
2.Een Robot-Assisted Thoracoscopic Surgery (RATS)
Dit is een operatie met de Da Vinci robot. De thoraxchirurg bestuurt de robot.
Deze robot maakt 3 of 4 kleine sneetjes in de borst. Via die sneetjes gaat een camera naar binnen. Ook gaan speciale instrumenten naar binnen. Instrumenten zijn hulpmiddelen waarmee de thoraxchirurg opereert.
De thoraxchirurg ziet met de robot goed wat er in het lichaam gebeurt. Hij heeft zo meer controle. De thoraxchirurg kan hierdoor heel precies werken.
Ook is er minder kans op een ontsteking.
De pijn is minder dan bij een grote operatie.
De thoraxchirurg verwijdert het deel dat niet goed is uit uw long. Hij haalt altijd iets meer weg. Dat heet omliggend weefsel. De chirurg verwijdert één van de volgende delen:
- Lobectomie: 1 longkwab verwijderd
- Bilobectomie: 2 longkwabben verwijderd
- Pneumonectomie: 1 hele long verwijderd
U ziet dit ook op het plaatje hiernaast.
3.Segmentresectie of wigexcisie van de long
De thoraxchirurg verwijdert het stukje long dat niet goed is. Dat stukje kan de vorm van een taartpunt hebben. Dat noemen we een wigexisie. Een segment resectie is een stukje uit de long, bijvoorbeeld uit de longkwab. Dat kan soms niet met een kijkoperatie of met de robot. De thoraxchirurg moet dan een grotere opening maken. De thoraxchirurg bespreekt dit altijd met u.
Video 'Naar de operatiekamer'
Bekijk deze video online op info.mumc.nl/pub-1002
Een paar weken voor de operatie
Uw arts heeft u verteld waarom u een operatie krijgt. Voor de operatie kunt 1 of meer onderzoeken krijgen. Hiermee ziet de arts hoe uw longen werken. Voor deze onderzoeken komt u naar de longpoli of afdeling A3.
Dit zijn de onderzoeken:
- ECG. Dit is een hartfilmpje. ECG betekent elektrocardiogram. Dit laat zien hoe het hart het doet.
- Longfunctie onderzoek. U doet ademhalingsoefeningen. Hiermee meet de arts hoe uw longen werken.
- Fietstest. De arts meet hoe uw hart en longen reageren als u fietst.
- Perfusiescan en Ventilatiescan. Deze scan laat zien hoe bloed door uw longen stroomt. Ook ziet de arts hoe lucht zich door uw longen verdeelt.
U bezoekt de anesthesist. Dit is de arts die de verdoving regelt. De verdoving bij een operatie heet narcose. De anesthesist geeft u na de operatie medicijnen tegen de pijn.
De anesthesist vertelt u welke medicijnen u mag gebruiken. Soms moet u al voor de operatie stoppen met medicijnen.
U komt ook bij de thoraxchirurg. U hoort hoe de operatie verloopt en hoe lang de operatie duurt. De thoraxchirurg vertelt u over risico’s en problemen die er kunnen zijn.
Opnamedag
U krijgt een brief van Bureau Opname waarin staat wanneer uw operatie is. In de brief staat ook hoe laat u zich meldt in het ziekenhuis. Dit is meestal 1 dag voor de operatie.
U meldt zich op verpleegafdeling A3.
U hoort of u eerst nog onderzoeken krijgt. Bijvoorbeeld bloed prikken of een röntgenfoto laten maken.
Op verpleegafdeling A3 krijgt u een gesprek met de verpleegkundige. Die vertelt u over uw opname.
U hoort ook hoe laat uw operatie is gepland.
De tijd van uw operatie kan veranderen. Bijvoorbeeld als er een andere operatie met spoed tussendoor komt.
De thoraxchirurg komt langs op uw kamer. U kunt dan al uw vragen stellen.
De dag van de operatie
Voor de operatie moet u nuchter zijn. Dat betekent dat u niet mag eten en drinken.
U hoort van de verpleegkundige hoe laat u nog mag eten en drinken.
Verwijder voor u naar de operatieafdeling gaat:
- Sieraden
- Make-up
- Protheses, zoals een gebit
Als u aan de beurt bent, gaat u op uw bed naar de holding. Dit is de ruimte waar we u voorbereiden op de operatie.
De operatie
U krijgt een infuus. Dit is een naald met een slangetje. Meestal plaatst de verpleegkundige dit in uw hand of pols.
U kunt ook een epiduraal katheter krijgen. Dit is voor de medicijnen tegen pijn na de operatie. Dit hoort u voor de operatie van de anesthesist.
Soms krijgt u ook een blaaskatheter. Dit is een slangetje dat urine afvoert tijdens en na de operatie.
De anesthesist brengt u in slaap. De anesthesist bewaakt u tijdens de operatie.
De operatie begint. De thoraxchirurg maakt 3 tot 4 kleine sneetjes bij uw ribben. Dit kan links of rechts zijn. Door deze sneetjes kan de thoraxchirurg in de borstholte.
Door het openen van de borstkas ‘valt’ de long samen.
De thoraxchirurg onderzoekt de long en doet de operatie.
U krijgt een slangetje in de borstholte. Dit is een drain. Een drain haalt lucht en vocht uit de borstholte. Deze drain blijft na de operatie in uw borst.
De thoraxchirurg maakt de andere sneetjes dicht.
Na de operatie
Na de operatie leggen verpleegkundigen u weer op een gewoon bed. U gaat direct naar de Intensive Care (IC). Of u gaat naar de uitslaapkamer. Dit heet de recovery.
U blijft een aantal uur op de uitslaapkamer.
Als u goed wakker bent, gaat u naar de verpleegafdeling.
Na de operatie heeft u een aantal slangen aan uw lichaam:
- Een drain. Deze slang haalt vocht en lucht uit uw borstholte.
- Een infuus. Hierdoor krijgt u medicijnen tegen de pijn.
- Een zuurstofslangetje. Hierdoor krijgt u extra zuurstof
Soms heeft u ook een blaaskatheter. Dat is een slang die urine opvangt.
Op de verpleegafdeling controleert de verpleegkundige u regelmatig. Controles zijn:
- Uw bloeddruk
- Uw hartslag
- Uw temperatuur
- De drain
- De wondjes
Op de afdeling is een zaalarts. Dit is de arts die de patiënten op de verpleegafdeling bezoekt. De zaalarts komt op werkdagen bij u langs.
U hebt soms keelpijn of spierpijn. Dit komt door de narcose. Dit gaat vanzelf over.
De verpleegkundige sluit de drain aan op een opvangsysteem. Hierin komt de lucht en het vocht uit de borstholte.
Door de drain kunt u niet veel bewegen. De verpleegkundige legt u dit uit.
U blijft meestal niet langer dan 1 week in het ziekenhuis. Soms is het nodig om wel langer dan 1 week te blijven.
De operatiewond
De thoraxchirurg heeft uw wondjes gehecht. Deze hechtingen zitten onder uw huid. Ze lossen vanzelf op.
Soms heeft u hechtingen op uw huid. De huisarts verwijdert deze na 7 dagen voor u.
De drain blijft een paar dagen in uw borstholte. De verpleegkundige verwijdert de drain. U krijgt een pleister op het gaatje waar de drain zat.
Deze pleisters laten soms zelf los. Dat is niet erg, als het wondje dicht is.
Is het wondje open? Dan is een nieuwe pleister nodig.
Na 7 dagen mag u de pleisters zelf verwijderen.
U mag na de operatie weer douchen. De wondjes mogen niet nat worden. De verpleegkundige vertelt u daar meer over.
U kunt last hebben rond de wondjes van:
- Bloeduitstortingen
- Jeuk
- Pijn
- Geen gevoel
Dit is normaal. Na een paar weken gaat dit weg.
Medicijnen tegen de pijn
- Na de operatie heeft u pijn. Dat is normaal.
U krijgt medicijnen tegen de pijn. Dit heet pijnstilling of pijnmedicatie. - De medicijnen na de operatie krijgt u via een slangetje in de rug. Dat noemen we een epiduraal katheter.
De anesthesist prikt hiervoor in uw onderrug. U krijgt daarvoor verdoving.
Aan dit slangetje zit een pompje. Met het pompje geeft u uzelf de medicijnen. - De verpleegkundige vraagt om uw pijn een cijfer te geven. Zo weet de verpleegkundige hoe erg de pijn voor u is.
- U geeft de pijn een cijfer tussen 0 en 10. Het cijfer 0 is helemaal geen pijn. 10 is heel erge pijn.
- Als u veel pijn heeft, krijgt u extra medicijnen tegen de pijn.
- Als u veel pijn heeft, ademt u minder diep. Ook hoest u zo min mogelijk. Hierdoor blijft slijm achter in uw longen. U kunt daarvan longontsteking krijgen.
Daarom neemt u op vaste tijden medicijnen tegen de pijn. - Vertel het altijd aan de verpleegkundige als u pijn heeft.
Informatie voor familie en naasten
- U mag in de wachtkamer op uw naaste wachten. Dat kan 2 tot 6 uur duren.
- De verpleegkundige vertelt wanneer u naar de kamer mag.
- Uw naaste heeft slangen en een monitor. Dit kan er spannend uitzien.
- Uw naaste ziet er bleek uit. Soms is het gezicht dik. Dit is normaal.
- De medicijnen maken uw naaste suf en vergeetachtig.
Fysiotherapie
- De fysiotherapeut helpt u bij uw herstel en helpt u om goed te bewegen.
- Na de operatie heeft u pijn aan uw schouder. U gebruikt de schouder dan liever niet.
Maar het is belangrijk dat u de schouder wel gebruikt. - De fysiotherapeut doet oefeningen met u.
- U leert om goed te ademen en te hoesten.
- Soms oefent u ook met de ‘triflow’. Dit is klein apparaat met een slangetje. U ademt hierdoor in en uit. U oefent elke dag een paar keer. Dit helpt om uw longen beter te maken.
- De fysiotherapeut geeft u ook advies en tips voor thuis.
Gevolgen van de operatie
De thoraxchirurg heeft een stuk long weggehaald. Daardoor is er ruimte in uw borstkas.
De rest van de long vult deze ruimte.
Als uw long helemaal weg is, komt er vocht in de ruimte. Dat is niet erg.
Uw borstkas wordt iets kleiner op de plek waar u geopereerd bent.
Complicaties
Bij een operatie horen risico’s. Soms is er een probleem. Dit noemen we een complicatie.
Complicaties van een operatie aan uw longen zijn:
- Nabloeding. De wond blijft dan bloeden.
- Longontsteking
- Ontsteking aan de wond
- Trombose
Deze complicaties komen vaker voor:
- Soms lekt er lucht uit uw longen. De drain vangt dit op. Dit duurt soms 1 week. De drain is het slangetje dat lucht en vocht opvangt.
- Soms komt er lucht onder uw huid. De huid wordt dan dik. Dit gebeurt in uw hals, borstkas en gezicht.
Het lichaam neemt de lucht op. De dikke plek verdwijnt dan.
Na de operatie kan uw hartritme veranderen. De arts kan u hier medicijnen voor geven.
De longarts en de thoraxchirurg geven u voor de operatie altijd uitleg over complicaties.
Ontslag uit het ziekenhuis en naar huis
Als u naar huis mag, komt de thoraxchirurg of de longarts naar uw kamer. U praat samen over uw operatie. U kunt dan ook vragen stellen.
U krijgt een afspraak voor controle op de poli. De longarts bespreekt dan de uitslag van uw operatie met u.
U vertelt dan hoe het met uw herstel gaat.
U hoort of u nog andere behandelingen nodig heeft.
Medicijnen
U kunt een recept krijgen voor pijnmedicatie. U neemt deze in zoals de arts u heeft verteld.
Met pijnstillers beweegt u makkelijker. Ook ademt u makkelijker. Zo wordt u sneller beter.
Neem de medicijnen op een vaste tijd.
Soms krijgt u nog meer medicijnen. U neemt deze zoals op het doosje staat.
Het herstel thuis en terug naar uw activiteiten
U bent nog niet beter als u uit het ziekenhuis komt. Beter worden heeft tijd nodig.
In het begin voelt ademhalen niet fijn. U bent soms benauwd. Dit gaat steeds beter.
U mag geen zwaar werk doen. Bijvoorbeeld zware dingen tillen of in de tuin werken. Na 4 tot 6 weken kunt u dit weer doen.
U mag wel wandelen. Wandelen is goed voor uw bloedsomloop en uw longen. Wandelen helpt u om zich beter te voelen.
Voelt u zich beter? Dan mag u steeds meer doen.
U mag tot 6 weken na de operatie niet vliegen of duiken.
De uitslag
We onderzoeken het stukje van de long dat is weggehaald. Dit doet een patholoog met een microscoop.
Het duurt ongeveer 1 week voordat u de uitslag krijgt.
De longarts of de zaalarts bespreekt de uitslag met u.
Wanneer belt u het ziekenhuis?
Soms krijgt u thuis klachten. Of uw klachten worden erger. U leest hieronder wanneer u het ziekenhuis belt.
- Hoge temperatuur. U heeft meer dan 38,5 graden Celsius koorts.
- Wondproblemen. U heeft pijn aan uw wondjes. Of de wondjes worden rood en dik. Soms komt er vies ruikend vocht uit.
- Pijn. Uw pijn is erger. Of u voelt plotseling scherpe pijn in uw borst.
- Benauwdheid. U kunt niet goed ademen. Dit wordt steeds erger.
- Snelle hartslag. Uw hart klopt langere tijd snel en hard.
- Hoesten. U hoest steeds meer. U hoest geel of groen slijm op. U heeft ook koorts. Bel dan direct het ziekenhuis.
Tips voor gesprek met uw arts
U heeft een gesprek met uw arts. Dat kan spannend zijn. U krijgt veel informatie. We geven u tips voor dit gesprek.
- Neem iemand mee naar het gesprek. Samen hoort u meer dan alleen.
- Schrijf vragen op. Schrijf de antwoorden van de arts op.
- Vertel de arts als u het niet begrijpt.
- Stel vragen. U kunt ons altijd bellen. Of een nieuwe afspraak maken. Tijdens uw opname kunt u vragen stellen aan de verpleegkundige.
Gesprekken met de artsen
U krijgt meerdere gesprekken. Voor de operatie en na de operatie. U leest hieronder met wie u spreekt en waar dat over gaat.
Longarts
De longarts bespreekt met u:
- Onderzoeken voor de operatie
- de operatie en de datum
- uitleg over de opname
- het herstel
- de uitslag na de operatie
Anesthesist
De anesthesist vertelt u over:
- de narcose en de bijwerkingen hiervan
- mogelijke risico’s en complicaties van de narcose
- de pijnmedicatie
Thoraxchirurg
De thoraxchirurg bespreekt met u:
- wat er tijdens de operatie gebeurt
- risico’s en complicaties
- duur van de operatie
Verpleegkundige
De verpleegkundige bespreekt met u:
- wat er gebeurt op de verpleegafdeling
- de voorbereiding op de operatie
- het verloop van de operatiedag
- het verwachte tijdstip van de operatie en dat dit kan veranderen
- de pijnbestrijding
- uw herstel na de operatie
- naar huis gaan
Zaalarts
De zaalarts bespreekt met u:
- uw herstel na de operatie
- informatie over drain, infuus, pijnbestrijding en andere medicatie
- de uitslag van de operatie. Dit gebeurt als u nog in het ziekenhuis ligt.
- naar huis gaan.
Fysiotherapeut
De fysiotherapeut bespreekt met u:
- Hoe u kunt ademen en hoesten
- Hoe u uw schouder goed beweegt
- Hoe u goed blijft bewegen
- Hoe u thuis goed herstelt
Contact
U krijgt deze folder mee naar huis. U kunt dan alles rustig lezen.
Heeft u vragen over de operatie? Dan kunt u ons bellen.
Polikliniek Longziekten
Telefoonnummer: 043-387 55 00
Maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 13.00 uur.
Als zij niet bereikbaar zijn, hoort u op het bandje hoe u hen wel kunt bereiken.
Spoedeisende Hulp
Telefoonnummer: 043-387 67 00
Na 13.00 uur en in het weekend.
Websites
- MUMC+ (www.mumc.nl/)
- Oncologie MUMC+ (www.oncologie.mumc.nl/)
- Kanker.nl (www.kanker.nl/)
- Longkankernederland.nl (www.longkankernederland.nl/)
- Gezond Idee (gezondidee.mumc.nl/)