Folder
Praten met uw kind
Hoe praat u over een chronische lichamelijke aandoening?
Het is als ouder heel normaal om met uw kind te praten. Ook als uw kind voor langere tijd of misschien wel blijvend ziek is. Het kan moeilijk of spannend zijn om met uw kind te praten over de ziekte. Maar het is wel belangrijk.
We willen u helpen met uw kind te praten. In deze folder leest u hoe u dit kunt doen.
Redenen om met uw kind te praten over zijn of haar ziekte.
Kinderen hebben het recht om te weten wat er met hen aan de hand is.
Het is niet altijd makkelijk maar wel belangrijk dat u met uw kind praat over de chronische aandoening of ziekte, zodat uw kind weet wat er aan de hand is. Hierdoor kan uw kind beter met de situatie omgaan.
Voor uw kind is het prettig om met een vertrouwd persoon te praten. Als uw kind vragen wil stellen, dan is dat goed. Misschien weet u niet op alle vragen een antwoord. Dat is niet erg. Een deskundige kan hierbij helpen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de arts die uw kind behandelt of een psycholoog.
Kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid.
Kinderen kunnen vaak beter met moeilijke situaties omgaan als ze weten wat er aan de hand is. Bovendien hebben kinderen meer veerkracht dan we denken.
Het is belangrijk om te vertellen wat er gaat gebeuren, waarom er bijvoorbeeld afspraken of onderzoeken zijn, of waarvoor er medicatie is. Ook als uw kind misschien verdrietig of boos wordt. Iedereen mag op zijn eigen manier reageren.
Wacht niet op het ‘juiste moment’. Hierdoor bestaat de kans dat u het gesprek blijft uitstellen.
Redenen waarom u niet met uw kind zou praten over zijn of haar ziekte.
Er zijn misschien meerdere redenen waarom u niet zou praten met uw kind over zijn of haar chronische lichamelijke aandoening of ziekte. Hieronder worden een aantal mogelijke redenen en adviezen besproken.
U wacht liever totdat uw kind eraan toe is en zelf vragen gaat stellen
Misschien wilt u wachten totdat uw kind zelf vragen gaat stellen. Dit is niet verstandig. Kinderen zijn gevoelig voor allerlei signalen. Uw kind merkt bijvoorbeeld dat een gesprek ineens stopt als het binnenkomt. Of ziet steeds ernstige gezichten. Hierdoor vult uw kind delen van het gesprek zelf in met de eigen fantasie. Of uw kind denkt dat het over iets heel ergs gaat, omdat er niet over wordt gepraat.
U bent bang dat uw kind emotioneel gaat reageren
Stel het gesprek niet uit, omdat u bang bent dat uw kind emotioneel zal reageren. Door er niet over te praten, bouwt het kind spanning op. Hierdoor wordt de kans op een uitbarsting van emoties alleen maar groter.
Voor uw kind is het prettig als een vertrouwd persoon dichtbij is om te troosten. En om met deze persoon te praten over moeilijk nieuws.
We praten liever alleen over de meest merkbare problemen
Het is belangrijk dat u stap voor stap informatie geeft. Begin bijvoorbeeld met het bespreken van het probleem waar uw kind het meeste van merkt. Hierdoor zal uw kind misschien ook andere vragen gaan stellen. U hoeft niet alles in één keer te bespreken. U kunt er vaker over praten.
De aandoening van mijn kind lijkt niet zo ernstig of zichtbaar
Uw kind kan toch last hebben van de minder zichtbare kenmerken van een chronische lichamelijke aandoening. Zoals bijvoorbeeld problemen met leren of gedragsproblemen. Dit is voor uw kind heel vervelend. Het kan uw kind onzeker maken. Praat er toch over.
Waar houdt u rekening mee op welke leeftijd?
Wilt u weten wat u met uw kind kunt bespreken en hoe u dit bespreekt? Kijk dan naar de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van uw kind.
Jonger dan 4 jaar
Stelt uw kind vragen? Geef dan eenvoudige en eerlijke antwoorden. Als uw kind bijvoorbeeld naar het ziekenhuis moet gaan, leg dan uit waarom dat nodig is en wat er gaat gebeuren.
Kinderen die bijna 4 jaar zijn, merken soms al op dat ze anders zijn dan andere kinderen. Ze kunnen hier soms zelfs somber van worden. Praat dan met uw kind over de dingen waarin kinderen van elkaar verschillen.
4 tot 6 jaar
Kinderen van deze leeftijd begrijpen korte zinnen en eenvoudige woorden. Gebruik woorden die ze zelf ook gebruiken. Soms helpt het om met uw kind te praten als het aan het spelen is. Laat het gesprek niet langer dan 10 minuten duren. Let er tijdens het praten ook op hoe u kijkt. Hoe u kijkt, valt hen soms eerder op dan de woorden die u gebruikt.
6 tot 8 jaar
Kinderen van deze leeftijd blijven al iets langer met hun aandacht bij een gesprek. U kunt met uw kind praten tijdens het spelen. Weet wel dat het spel minder belangrijk is. Geef uw kind een compliment als het vragen stelt. Of als het een mening geeft.
8 tot 11 jaar
Met een kind van deze leeftijd kan u soms wel een kwartier praten. Ook als ze tussendoor misschien even afgeleid raken. Leg moeilijke woorden uit. Let er ook op dat kinderen van deze leeftijd gemakkelijk zeggen wat u wilt horen. Ze antwoorden vaak sociaal wenselijk. Vraag daarom zo veel mogelijk naar hun eigen mening. Deze mening mag anders zijn dan die van u als ouder.
11 tot 15 jaar
Jongeren van deze leeftijd kunnen goed omgaan met open vragen. Dit zijn vragen die bijvoorbeeld beginnen met wie, wat, wanneer of hoe. Hierdoor kunnen ze hun eigen mening geven of hun eigen ideeën vertellen.
15 tot 18 jaar
Deze jongeren geven soms vermijdende of onduidelijke antwoorden op vragen. Vraag daarom altijd wat ze precies bedoelen of willen zeggen.
Praten met broers en zussen van het kind met een chronische lichamelijke aandoening
Ook broers en zussen kunnen veel vragen en onzekerheden hebben over de ziekte of het zieke kind. Het is belangrijk om ook met hen hierover te praten.
Dit gesprek kan plaatsvinden in aanwezigheid van hun zieke broer of zus. Zo weten de kinderen van elkaar dat er zorgen bestaan en dat ze over deze zorgen kunnen praten. Bovendien kan uw kind dan meepraten en vragen zelf beantwoorden.
Soms is het beter om het gesprek met een broer of zus alleen te voeren. Bijvoorbeeld omdat u het belangrijk vindt om te horen wat de situatie met hem of haar doet. Of omdat u wil luisteren naar zijn of haar verhaal.
Belangrijke tips als u gaat praten met uw kind.
Wij geven een aantal algemene tips voor het gesprek met uw kind. Als er specifieke vragen zijn, praat hier dan over met uw partner, vrienden, de arts of andere hulpverleners.
- Bedenk van tevoren wat u wilt vertellen. Schrijf dit kort voor uzelf op.
- Bedenk hoe uw kind zou kunnen reageren. Laat u hierdoor niet afschrikken of tegenhouden.
- Het helpt soms om het gesprek te oefenen met iemand anders.
- Denk na over de woorden die u wilt gebruiken. Gebruik geen moeilijke woorden.
- Ben eerlijk en duidelijk. Als u niet duidelijk bent, dan gaat uw kind misschien zelf raden en invullen wat er is.
- Maak het niet te spannend voor uzelf. Dit merken kinderen ook. Hierdoor loopt het gesprek soms anders dan gepland. In een eerste gesprek hoeft u niet alles te vertellen. Dit kan in stapjes.
- Bedenk of u met uw kind alleen wilt praten of dat anderen in de buurt mogen zijn. Denk bijvoorbeeld aan uw partner of een broer of zus.
- Probeer u te verplaatsen in uw kind. Vraag u zelf af wat uw kind zou willen weten.
- Geef het gesprek een duidelijk begin en een einde.
- Luister goed naar wat uw kind zegt en vraagt. Let daarbij ook op hoe het kind hierbij kijkt. Geef alleen antwoord op de vraag die wordt gesteld. Vertel niet meer dan nodig is.
- Emoties mogen er zijn. Reageer ook op de emoties van uw kind. Troost uw kind. Laat merken dat de emoties er mogen zijn. U kunt bijvoorbeeld zeggen: "Het is logisch dat je verdrietig of boos bent".
Als de emoties te heftig zijn, kunt u besluiten om er op terug te komen op een rustiger moment.
Sommige kinderen laten weinig of geen emoties zien. Ook dat is niet erg. Ieder kind reageert op zijn eigen manier. Vaak gaan kinderen ook weer gewoon verder waar ze mee bezig waren. Ook dat is goed. - Vraag uw kind om vragen te stellen. Vraag of uw kind snapt wat u vertelt. En wat het hiervan vindt. Zo hoort u bijvoorbeeld wat uw kind oppikt van uw verhaal. En ook wat nog niet duidelijk is.
- Stel geen suggestieve vragen. Suggestieve vragen zijn bijvoorbeeld: "Vind je het erg om dit te horen?" of "Je zult wel denken…". Bij dit soort vragen denkt uw kind dat het op die manier moet denken of reageren.
Stel aan je tienerkind open vragen. Dit zijn vragen die vaak beginnen met wie, wat, wanneer, waar of hoe. Bijvoorbeeld: 'Hoe voel jij je hierbij?'.
Bij jongere kinderen is het beter om gesloten vragen te stellen. Dit zijn vragen waarbij de kinderen mogen kiezen tussen antwoorden.
Contact
Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen? Neem dan contact op met de Polikliniek Medische Psychologie Kind en Jeugd. Telefoonnummer: 043-387 41 19
Websites en informatie
U kunt ook meer informatie vinden op de volgende websites:
- MUMC+ (www.mumc.nl/patienten-en-bezoekers/specialisme/psychologie/over-psychologie)
- Lotjeenco (www.lotjeenco.nl) voor ouders van ‘zorgintensieve kinderen’
- Kinderneurologie (www.kinderneurologie.eu) voor informatie over veel neurologische aandoeningen
- Balansdigitaal (www.balansdigitaal.eu), vereniging voor ouders van kinderen met leer- en gedragsproblemen
- Cyberpoli (www.cyberpoli.nl), online en interactieve ontmoetingsplaats voor kinderen en jongeren met een chronische ziekte
Boeken:
- Okma, K. (2013). ‘Oei er klopt iets niet’: als je kind een beperking heeft. Amsterdam: Terra-Lannoo Uitgeverij.
Bron:
Deze tekst is een bewerking van het stuk ‘Praten met kinderen over TSC’ van André Rietman, gezondheidszorgpsycholoog en neuropsycholoog bij ENCORE, gepubliceerd in TSC Contact (Lente 2015, nummer 129)