_

Patiëntinformatie

Angiografie & interventie

Onderzoek en behandeling van bloedvaten op de afdeling Beeldvorming

U wordt opgenomen voor een angiografisch onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de bloedvaten in het lichaam in beeld gebracht. In deze folder vindt u alle informatie die voor u van belang is bij dit onderzoek.

Het doel van angiografisch onderzoek is het vaststellen en lokaliseren van bloedvatafwijkingen. Indien mogelijk worden de eventueel vastgestelde afwijkingen direct behandelt zodat u hier niet apart voor terug hoeft te komen. Het onderzoek en de eventuele behandeling worden door een interventieradioloog uitgevoerd.

Vaatkamer

Mogelijke behandelingen

De behandelingen die eventueel kunnen volgen op het angiografisch onderzoek zijn; dotteren en/of rekanaliseren, stentplaatsing of embolisatie.

Een dotterbehandeling heeft als doel een vernauwing in een bloedvat op te heffen om de bloedstroom te verbeteren. Dit gebeurt door met een ballonnetje de plek van de vernauwing op te rekken. Wanneer een dotterbehandeling onvoldoende effect heeft kan de interventieradioloog ervoor kiezen om een stent te plaatsen op de plek van de vernauwing. Een stent is een buisje van gevlochten metaal dat in het bloedvat wordt geplaatst en zo het bloedvat openhoudt.

Ten slotte is een embolisatie het opzettelijk afsluiten van een bloedvat. Deze ingreep past de interventieradioloog vooral toe bij bloedingen of ter voorbereiding op een andere ingreep.

Voorbereiding

Voor een angiografisch onderzoek wordt u op dezelfde dag, of de dag vóór het onderzoek, opgenomen in het ziekenhuis. U krijgt op de verpleegafdeling een algemeen onderzoek en er wordt bloed afgenomen om waarden zoals de nierfunctie en bloedstolling te bepalen.

  • U mag zes uren van tevoren niet eten of drinken.
  • Tot twee uren van tevoren is het drinken van heldere dranken toegestaan (denk bijvoorbeeld aan thee, ranja of water. Melk of dranken met melkproducten zijn niet toegestaan).
  • Vanaf twee uren van tevoren mag u helemaal niets meer eten of drinken.
  • Uw medicijnen mag u wel op de gebruikelijke manier innemen.

Ook krijgt u een infuusnaald ingebracht in de hand of onderarm. Meestal wordt het onderzoek uitgevoerd vanuit de slagader in de lies. In enkele gevallen wordt voor een andere toegangsplek gekozen. Vanuit hygiënisch oogpunt, en om infecties te voorkomen, worden de liezen vooraf geschoren. Dit mag u zelf doen ter voorbereiding, echter kan dit ook op de onderzoekskamer gedaan worden door de medewerkers van de angiografie en interventie.

Uiteraard doen wij er alles aan om u zo snel mogelijk te helpen. Toch zijn er soms onvoorziene omstandigheden, zoals spoedgevallen, waardoor het kan gebeuren dat u later aan de beurt bent of dat de behandeling uitgesteld moet worden. U wordt de dag erna geholpen of krijgt een nieuwe oproep om het onderzoek op een andere datum door te laten gaan.

Wat u altijd moet melden

  • Bent u zwanger of denkt u dit te zijn? Neem dan vóór het onderzoek contact op met uw arts.
  • Geeft u borstvoeding? Dan wordt geadviseerd om de eerste 24 uren na het onderzoek geen borstvoeding te geven.
  • Bent u overgevoelig of allergisch voor jodiumhoudend contrastmiddel? Geef dit dan vóór het onderzoek aan bij uw behandelend arts.
  • Bent u overgevoelig of allergisch voor jodium in ontsmettingsmiddelen? Dan betekent dit niet automatisch dat u ook overgevoelig of allergisch bent voor jodiumhoudend contrastmiddel. Meld dit wel altijd aan de medisch beeldvormings- en bestralingsdeskundige (MBB’er) op de onderzoekskamer voorafgaand aan de procedure.
  • Heeft u last van andere allergieën? Ook dit moet u melden bij de medisch beeldvormings- en bestralingsdeskundige (MBB’er) op de onderzoekskamer voorafgaand aan de procedure.
  • Heeft u een nieraandoening? Meld dit dan meteen aan uw behandelend arts zodat hij/zij tijdig voorzorgsmaatregelen kan treffen of voor een alternatief onderzoek kan kiezen.
  • Bent u diabetespatiënt (suikerpatiënt)? Meld dit vóór het onderzoek aan uw behandelend arts en aan de verpleegkundige op de verpleegafdeling.

Medicijnen

U kunt uw gebruikelijke medicijnen gewoon op normale wijze blijven innemen. Uitzonderingen zijn:

  • Gebruikt u Ascal, Plavix of Fraxiparine? Als u slechts één van deze middelen gebruikt, kunt u deze gewoon blijven innemen. Gebruikt u echter een combinatie van deze middelen? Dan kan het angiografisch onderzoek alleen doorgaan als uw behandelend arts extra voorzorgsmaatregelen treft. Bespreek dit daarom vooraf met uw arts.
  • Gebruikt u zogenoemde NOAC/DOAC (specifieke bloedverdunner, o.a. Rivaroxaban) dan moeten deze 24-48 uur voor het onderzoek worden gestopt. Geef dit aan bij uw behandelend arts.
  • Bent u onder controle van de trombosedienst in verband met het gebruik van bloedverdunners, zoals Marcoumar of Sintrom? Dan maakt uw behandelend arts een afspraak met u hierover. Meestal moet u een aantal dagen stoppen met het innemen van de medicatie of wordt de dosering aangepast.

 

  • De inname van diuretica (plasmedicijnen) dient indien mogelijk gestopt te worden 24 uren voor het onderzoek. Dit kan alléén in overleg met uw behandelend arts!
  • Als u NSAID’s (ontstekingsremmende pijnstillers, zoals Ibuprofen) slikt, stopt u hier tijdelijk mee als dat mogelijk is, 24 uren voor het onderzoek.
  • Gebruikt u metformine bevattende medicatie voor uw diabetes mellitus (suikerziekte) en heeft u een verminderde nierfunctie? Stop dan alléén in overleg met uw behandelend arts met het innemen van deze tabletten op de dag van het onderzoek. Als het stoppen met deze tabletten problemen veroorzaakt, neem dan contact op met uw arts voor een eventueel tijdelijk vervangend medicijn.

Het onderzoek

U krijgt op de verpleegafdeling een operatiehemd aan en wordt vervolgens in bed naar de behandelkamer gereden. Daar neemt u plaats op de onderzoekstafel. De uitvoerende interventieradioloog zal middels een kort gesprek nog eens uitleggen wat er gaat gebeuren. Pas als alles duidelijk is zal het onderzoek opgestart worden. Eerst wordt de prikplaats ontsmet met alcohol. Zodra dit opgedroogd is zal een steriel laken over u heen gelegd worden. Op deze manier kan er zo schoon mogelijk gewerkt worden. De aanprikplaats in de lies wordt alvorens plaatselijk verdoofd. Na deze verdoving voelt u dat de interventieradioloog bezig is, maar u mag geen pijn voelen. Omdat de verdoving plaatselijk is blijft u volledig bij kennis tijdens het onderzoek. Vervolgens wordt het bloedvat in de lies aangeprikt en een poortje (sheath) in het bloedvat geschoven. Via dit poortje wordt de procedure uitgevoerd. 

Tijdens het maken van de foto’s is het belangrijk dat u stil blijft liggen. Soms wordt er gevraagd om de adem even in te houden. Na het maken van de foto’s wordt er door de interventieradioloog beoordeeld of er een verdere behandeling mogelijk en noodzakelijk is.

 Aan het einde van de procedure wordt het poortje uit het bloedvat in de lies verwijdert en wordt het gaatje in het bloedvat dicht gemaakt. Dit kan door middel van afdrukken gedurende 10-20 minuten of door het plaatsen van een plugje dat het gaatje dicht maakt. De gemiddelde duur van het onderzoek (incl. eventuele behandeling) is anderhalf uur. Na afloop komt de verpleegkundige van de verpleegafdeling u weer ophalen.

Jodiumhoudend contrastmiddel

Om de bloedvaten af te kunnen beelden wordt er jodiumhoudend contrastmiddel ingespoten. Wanneer dit contrastmiddel wordt ingespoten kunt u een aantal seconden een metaalsmaak proeven en een warm gevoel krijgen in het lichaam. Het is bekend dat jodiumhoudend contrastmiddel soms een allergische reactie kan veroorzaken. Als hier sprake van is, ontstaat de allergische reactie meestal direct na het inspuiten in van het contrastmiddel. De meest voorkomende verschijnselen van een allergische reactie zijn jeuk, galbulten, misselijkheid, bleekheid, zweten of duizeligheid. In zeldzame gevallen komt een ernstige reactie voor, zoals een shock.

Dit type contrastmiddel wordt soms ook gebruikt bij andere onderzoeken, zoals bij een CT-scan. Heeft u daar eerder al eens vloeistof ingespoten gekregen zonder enige problemen, dan is de kans groot dat u geen allergie heeft voor jodiumhoudend contrastmiddel.

Wanneer u bekend bent met een allergie voor jodiumhoudend contrastmiddel moet u dit ten alle tijden melden bij uw behandelend arts! De behandelend arts zorgt ervoor dat u voorgaande aan het onderzoek medicijnen krijgt die een allergische reactie voorkomen.

Ten slotte moet er voorgaande aan het toedienen van jodiumhoudend contrastmiddel gekeken worden naar uw nierfunctie. Wanneer deze niet dusdanig optimaal is kan de behandelend arts ervoor kiezen om u voorafgaande aan én na afloop van het onderzoek vocht toe te dienen via een infuus. De behandelend arts zal u op de hoogte stellen wanneer dit van toepassing is.

Na het onderzoek

Na het onderzoek wordt u opgehaald door een verpleegkundige en teruggebracht naar de verpleegafdeling. Afhankelijk van het type onderzoek of behandeling moet u een aantal uren platte bedrust houden. Bij het plaatsen van een plugje is dit meestal 3 uren bedrust en 6 uren wanneer de aanprikplaats wordt afgedrukt. De verpleegkundige komt regelmatig de aanprikplek en bloeddruk controleren. Tot twee uren na de behandeling mag u niet eten of veel drinken. Als de twee uren voorbij zijn adviseren wij u om extra water te drinken. Zo verdwijnt het contrastmiddel via de urine snel uit het lichaam. Als u zich om medische redenen aan een vochtbeperking moet houden, of u juist vochttoediening via het infuus kreeg voor én na het onderzoek, hoeft u geen extra water te drinken.

 

Na het onderzoek kunt u meestal aan het einde van de dag weer naar huis. Het is niet toegestaan om na een behandeling zelf naar huis te rijden. Zorg ervoor dat iemand u kan ophalen. De eerste avond en nacht thuis moet er iemand bij u in huis zijn die u kan helpen indien er alsnog nabloedingen of andere problemen ontstaan.

Het wondje in uw lies is niet gehecht en sluit normaal binnen 24 uren. Het is dan niet meer nodig om er een pleister om te plakken. De eerste twee dagen na thuiskomst mag u niet in bad of zwemmen. U mag wel douchen, tenzij de arts of verpleegkundige iets anders met u heeft afgesproken.

Mogelijke complicaties

Tijdens of na een angiografisch onderzoek en behandeling kunnen eventuele complicaties optreden, zoals:

  • Een bloeduitstorting in de lies ter plaatse van de aanprikplek. Dit is vervelend maar ongevaarlijk. De blauwe plek trekt na verloopt van tijd vanzelf weg.
  • Het gaatje in het bloedvat kan gaan lekken. De behandeling van deze bloeding bestaat uit het langdurig dichtdrukken van het gaatje of het inspuiten van een bloedstollend middel. Heel zelden is een ingreep nodig om het gaatje dicht te maken van binnenuit.
  • In zeer zeldzame gevallen komt tijdens een angiografie of behandeling een bloedpropje onbedoeld in een bloedvat terecht. Wanneer dit gebeurt proberen we u direct te behandelen door het bloedpropje te verwijderen.

Contact

Bent u verhinderd voor het onderzoek, geef dit dan zo spoedig mogelijk door aan Bureau Opname. Wij maken dan een nieuwe afspraak met u. Bureau Opname is op werkdagen bereikbaar van 08:30-17:00 uur.

Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen over het onderzoek of eventuele behandeling, neem dan contact op met uw behandelend arts of met de afdeling Beeldvorming. Voorafgaande aan en ten tijde van het onderzoek kunt u vrijblijvend vragen stellen.

De afdeling Beeldvorming is bereikbaar op werkdagen van 08:00-16:45 uur.

Treden er na het onderzoek of behandeling thuis nabloedingen of andere problemen op, neem dan contact op met uw huisarts of behandelend arts. ’s Avonds, ’s nachts en in het weekend kunt u hiervoor bellen met de Spoedeisende Hulp.

Bureau Opname , 043 - 387 73 30 (werkdagen 08:30-17:00)

Afdeling Beeldvorming , 043 - 387 7500 (werkdagen 08:00-16:45)

Spoedeisende Hulp , 043 - 387 67 00

 

Laatst bijgewerkt op 25 oktober 2021