_

Patiëntinformatie

Angiografie & interventie

Onderzoek en behandeling van bloedvaten op de afdeling Beeldvorming

U wordt opgenomen voor een angiografisch onderzoek. Met dit onderzoek worden de bloedvaten in het lichaam in beeld gebracht. Hier vindt u alle informatie die voor u van belang is bij het onderzoek.

Het doel van het angiografisch onderzoek is het vaststellen en lokaliseren van bloedvat- afwijkingen. Indien mogelijk worden de eventueel vastgestelde afwijkingen direct behandeld, zodat u hiervoor niet apart terug hoeft te komen.

Het onderzoek en de behandeling worden door een interventieradioloog uitgevoerd. Mogelijke behandelingen zijn: dotteren, stentplaatsing of embolisatie.

Angiografie & interventie

Wat is dotteren?

Een dotterbehandeling heeft als doel een vernauwing in het bloedvat op te heffen. Dit gebeurt door het bloedvat met een ballonnetje op te rekken. In principe worden vernauwingen in het bloedvat eerst gedotterd. Bij onvoldoende resultaat kan de interventieradioloog besluiten om een stent te plaatsen.

Wat is stentplaatsing?

Een stent is een buisje van gevlochten metaal. Door een stent in het bloedvat te plaatsen, wordt de vernauwing opgeheven en blijft het bloedvat open.

Wat is embolisatie?

Embolisatie is het afsluiten van een bloedvat. Deze behandeling past de interventieradioloog vooral toe bij bloedingen of als voorbereiding op een andere ingreep.

Voorbereiding

Voor een angiografie wordt u op dezelfde dag, of soms een dag vóór het onderzoek, opgenomen in ons ziekenhuis. U krijgt eerst een algemeen onderzoek en er wordt bloed geprikt om uw nierfunctie en eventueel de bloedstolling te bepalen.

  • U mag zes uur van te voren niet eten en drinken.
  • Tot twee uur van tevoren is wel het drinken van heldere dranken toegestaan. (geen melk of melkproducten, eventueel beperkt gebruik melkpoeder in de koffie is toegestaan)
  • Vanaf twee uur van tevoren mag u helemaal niets meer nuttigen.
  • Uw medicijnen mag u wel op de gebruikelijke manier innemen.

Ook krijgt u een infuusnaald ingebracht. Meestal gebeurt het onderzoek via de slagader in de lies. Om ontstekingen op de prikplaats te voorkomen, worden uw liezen geschoren. In enkele gevallen wordt voor een andere toegang gekozen. De interventieradioloog komt op de afdeling langs om de details van het onderzoek en de behandeling met u te bespreken.

Uiteraard wordt er alles aan gedaan om u zo snel mogelijk te helpen. Maar soms zijn er onvoorziene omstandigheden waardoor het kan gebeuren dat u later aan de beurt bent of dat de behandeling uitgesteld moet worden. U krijgt dan een nieuwe oproep of u wordt, als dat nodig is, de dag erna geholpen.

Wat u altijd moet melden

  • Bent u zwanger of denkt u dit te zijn? Neem dan contact op met uw arts vóór het onderzoek.
  • Geeft u borstvoeding? Dan wordt geadviseerd om de eerste 24 uur na het onderzoek geen borstvoeding te geven.
  • Bent u overgevoelig voor jodiumhoudende contrastmiddelen? Geef dit dan vóór het onderzoek door aan uw behandelend arts.
  • Bent u overgevoelig voor ontsmettende jodium op de huid? Dan bent u niet automatisch allergisch voor het jodium in een contrastmiddel, maar u moet dit wel melden aan de medisch beeldvormings- en bestralingsdeskundige (MBB'er).
  • Heeft u last van allergieën (bijvoorbeeld hooikoorts), astma of eczeem? Graag melden aan de laborant.
  • Heeft u een nieraandoening? Meld dit dan meteen aan uw behandelend arts, zodat hij tijdig voorzorgsmaatregelen kan nemen of voor een alternatief onderzoek kan kiezen.
  • Bent u diabetespatiënt (suikerpatiënt)? Meld dit dan vóór het onderzoek.

Medicijnen

Uw gebruikelijke medicijnen kunt u op de normale wijze blijven innemen. Uitzonderingen zijn:

  • Gebruikt u Ascal, Plavix of Fraxiparine? Als u slechts één van deze middelen gebruikt, kunt u daar gewoon mee doorgaan. Gebruikt u echter een combinatie van deze middelen, dan kan de angiografie alleen doorgaan als uw behandelend arts extra voorzorgsmaatregelen treft. Bespreek dit daarom vooraf met uw arts.
  • Bent u onder controle van de trombosedienst in verband met het gebruik van bloedverdunners, zoals Marcoumar of Sintrom? Dan maakt uw behandelend arts hierover met u een afspraak. Meestal moet u een aantal dagen stoppen of wordt de dosering aangepast.
  • De inname van diuretica (plasmedicijnen) dient indien mogelijk gestopt te worden, alléén in overleg met uw behandelend arts, 24 uur vóór het onderzoek.

 

  • Als u NSAID’s (ontstekingsremmende pijnstillers) slikt, stop u hier tijdelijk mee, als dat mogelijk is, 24 uur voor het onderzoek.
  • Gebruikt u metformine bevattende medicatie voor uw diabetes mellitus (suikerziekte) en heeft u een verminderde nierfunctie? Stop dan alléén in overleg met uw behandelend arts met het innemen van deze tabletten op de dag van het onderzoek. Als het stoppen met deze tabletten problemen veroorzaakt, neem dan contact op met uw arts voor een eventueel vervangend medicijn. Twee tot vijf dagen na het onderzoek neemt de aanvragend arts bloed bij u af om de nierfunctie te controleren. Uw behandelend arts geeft de bloeduitslagen aan u door en maakt nieuwe afspraken met u over het weer starten van de metformine bevattende medicatie.

Jodiumhoudend contrastmiddel

Voor een angiografie is het gebruik van een jodiumhoudend contrastmiddel noodzakelijk. Dankzij dit contrastmiddel kunnen de bloedvaten in het lichaam in beeld worden gebracht.

Als u contrastmiddel krijgt ingespoten, kunt u tijdens de injectie een metaalsmaak proeven en een warm gevoel krijgen door het hele lichaam.

Het is bekend dat jodiumhoudende contrastmiddelen soms allergische reacties veroorzaken. Deze treden dan meestal al snel na het onderzoek op.

De reacties kunnen licht zijn in de vorm van jeuk, galbultjes, misselijkheid, bleekheid, zweten of duizeligheid. In zeldzame gevallen kan de reactie iets heviger zijn met meer galbultjes of de neiging tot flauwvallen. 'Nog zeldzamer komt een ernstige reactie voor, zoals een shock. Heel zeldzaam zijn late reacties, meestal in de vorm van jeuk of huidreacties. Meldt u zich in dat geval bij uw behandelend arts.

Als vooraf bekend is dat u allergisch reageert op jodiumhoudend contrastmiddel, krijgt u afhankelijk van de ernst van de reactie, vóór het onderzoek hiertegen medicijnen. Deze medicijnen hebben invloed op de rijvaardigheid. U mag dan na het onderzoek niet autorijden.

Als u jodiumhoudend contrastmiddel moet krijgen wordt er naar uw nierfunctie gekeken. Het zou kunnen dat op basis van een slechte nierfunctie het onderzoek niet kan doorgaan, of bepaalde voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen, zoals vochttoediening via een infuus voor en na het onderzoek. Dit gebeurt volgens een bepaald protocol. Uw behandelend arts geeft hierover verdere toelichting als dit bij u van toepassing is.

Het onderzoek

U krijgt een operatiehemd aan en wordt vervolgens in bed naar de behandelkamer gereden. Daar neemt u plaats op de onderzoekstafel.
Eerst wordt de huid rond de prikplaats (meestal de lies) ontsmet, en krijgt u een steriel laken over u heen. Voor het onderzoek wordt de prikplaats verdoofd. Zodra de verdoving werkt, prikt de interventieradioloog een bloedvat in de lies aan. Dan schuift hij een soort poortje (sheath) in het bloedvat. U voelt dat de arts bezig is, maar dit is niet pijnlijk. Door het poortje brengt hijvervolgens slangetjes (katheters) in de bloedvaten. U merkt hier niets van. Om röntgenfoto’s te kunnen maken, wordt contrastmiddel door de katheter gespoten.

Tijdens het maken van de foto’s is het belangrijk dat u stil blijft liggen. Soms wordt gevraagd even uw adem in te houden. Na het maken van de foto’s bekijkt de interventieradioloog of een aansluitende behandeling nodig en mogelijk is. Meestal kan dit via het eerder ingebrachte poortje. Omdat het onderzoek onder lokale verdoving plaatsvindt, blijft u gedurende de hele procedure gewoon bij kennis.

Aan het einde van de behandeling verwijdert de interventieradioloog het poortje uit het bloedvat. De prikopening wordt vervolgens 10 tot 20 minuten dichtgedrukt. Soms wordt een soort plugje geplaatst om de opening in het bloedvat te sluiten.

Gemiddeld duurt het onderzoek inclusief behandeling anderhalf uur. Na afloop wordt u weer teruggebracht naar de verpleegafdeling.

Tijdens het onderzoek zelf kunt u ook nog vragen stellen aan de aanwezige radioloog en/of MBB'er.

Na het onderzoek

Na de behandeling gaat u terug naar de verpleegafdeling. Afhankelijk van het type onderzoek moet u een aantal uren platte bedrust te houden. De verpleegkundige controleert regelmatig de prikplaats en uw bloeddruk.
Tot twee uur na de behandeling mag u niet eten. Een slokje water drinken mag wel.
Als de twee uur om zijn, adviseren wij u om extra water te drinken (één à twee liter). Zo verdwijnt het contrastmiddel via de urine weer snel uit het lichaam. Als u zich om medische redenen aan een vochtbeperking moet houden, of u vochttoediening via een infuus kreeg voor en na het onderzoek, hoeft u deze extra hoeveelheid niet te drinken.

 

Na het onderzoek kunt u meestal aan het einde van de dag weer naar huis. Het is niet toegestaan om na een behandeling zelf naar huis te rijden. Zorg er dus voor dat iemand u kan ophalen. De eerste avond en nacht moet er iemand bij u in huis zijn die u kan helpen indien er alsnog nabloedingen of andere problemen ontstaan.
Het wondje in uw lies is niet gehecht en sluit normaal vanzelf binnen 24 uur. Het is dan niet meer nodig om er een pleister op te plakken. De eerste twee dagen na thuiskomst mag u niet in bad.
U mag wel douchen, tenzij de arts of verpleegkundige iets anders met u heeft afgesproken.

Mogelijke complicaties

Tijdens of na een angiografie kunnen complicaties optreden:

  • Na het onderzoek kan een pijnlijke blauwe plek in de lies ontstaan. Dit is vervelend, maar ongevaarlijk. De blauwe plek trekt na verloop van tijd vanzelf weg.
  • Het gaatje in het bloedvat kan gaan lekken. De behandeling van deze bloeding bestaat uit het langdurig dichtdrukken van het gaatje of het inspuiten van bloedstollend middel. Heel zelden is een ingreep nodig om het gaatje dicht te hechten.
  • In zeldzame gevallen komt tijdens de angiografie een bloedpropje in een bloedvat van het been terecht. Dit zien we dan op de controlefoto’s. We behandelen u dan direct door het bloedpropje te verwijderen.
  • Tijdens een angiografie van de halsslagaders en hersenvaten is het mogelijk dat er een bloedpropje in de hersenvaten terechtkomt. Daardoor kan tijdelijk, of in het ergste geval blijvend, neurologische uitval ontstaan. Het risico op een dergelijke complicatie is ongeveer 1%.

Problemen thuis

Treden er na de behandeling thuis nabloedingen of andere problemen op, neem dan contact op met uw huisarts of behandelend arts.

’s Avonds, ’s nachts en in het weekend kunt u hiervoor bellen met de Spoedeisende Hulp: 043-387 65 00.
Tijdens het onderzoek zelf kunt u ook nog vragen stellen aan de aanwezige radioloog en/of MBB'er.

Contact

Bent u verhinderd voor de angiografie, geef dit dan zo spoedig mogelijk door aan Bureau Opname. Dan maken wij een andere afspraak met u. Bureau Opname is op werkdagen bereikbaar van 8.30 uur tot 17.00 uur via 043-387 73 30.
Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen over de behandeling, dan kunt u contact opnemen met uw huisarts, uw behandelend arts of met de afdeling Beeldvorming.

Afdeling Beeldvorming : 043-387 75 00.
maandag tot en met vrijdag van 8.00 uur tot 16.45 uur.

Spoedeisende Hulp: 043-387 65 00

 

Website

Laatst bijgewerkt op 19 november 2020